Menu
21.01.2021

Speuren in Brabants muzikale schatkamer

Al jarenlang breken de zussen Tineke en Judith Steenbrink, artistiek leiders van Holland Baroque, een lans voor de muziek van Benedictus à Sancto Josepho.

Als organist en componist was Benedictus à Sancto Josepho (1642-1716) verbonden aan het karmelietenklooster van Boxmeer, letterlijk op een steenworp van Tinekes en Judiths geboorteplek. Een omvangrijk onderzoek leverde, naast een schat aan repertoire, inzicht in de ongekend rijke muzikale cultuur waarvan hij deel uitmaakte. Zo ontstond een exquis kerstprogramma (Kloosterkerst in 2020) en een prachtig nieuw album. Een fraaie prelude voor het Brabants Kloosterjaar 2021 waarin aan de hand van allerlei activiteiten en publicaties de roemrijke geschiedenis van het Brabantse kloosterleven wordt gevierd.

Schuurkerken en enclaves
Tineke: ‘Wanneer je aan de zeventiende-eeuwse kerkleven in Nederland denkt, komt er vaak een beeld naar voren van katholieke kerken die dichtgingen en het protestantisme dat alles overnam. En ergens halverwege de negentiende eeuw verschijnen er dan in Brabant heel veel hele grote neogotische kerken. Wat daartussen is gebeurd, was voor mij altijd een wazig gebied, maar door ons onderzoek hebben we dat wat kunnen inkleuren. Wat bleek? Het katholicisme verdween helemaal niet, het ging verstopt gewoon door. En dat geldt dus ook voor de muziek van de katholieke liturgie. Sterker nog: er zijn kerken in Noord-Brabant waar sinds de zeventiende eeuw onafgebroken een koor actief is. Daar zijn de huidige koorleden zich vaak zelf niet van bewust.’

Met de Vrede van Münster kwam in 1648 inderdaad een einde aan jarenlange religieuze twisten en werd het protestantisme de officiële godsdienst. Toch werd de katholieke eredienst gedoogd, maar rooms-katholieken in heel Nederland moesten (net als de lutheranen, remonstranten en doopsgezinden overigens) hun toevlucht nemen tot zogenaamde schuilkerken. In de Noord-Brabantse dorpen vond je op zondagochtend het overgrote deel van de bevolking in een schuurkerk aan de rand van het dorp. Bovendien bevond zich in de provincie ook een aantal katholieke ‘enclaves’: afgegrensde gebieden waarin de kloosters als vanouds bleven functioneren. In het Land van Ravenstein, de Rijksheerlijkheid Gemert of de Baronie van Boxmeer golden de nieuwe regels niet. Het werden toevluchtsoorden voor talrijke religieuzen die de door de Republiek geconfisqueerde kerken en kloosters in de steden moesten verlaten.

Graduale van Gemert
Een bijzonder onderdeel van dit onderzoek is haar queeste naar het ‘Graduale van Gemert’. Een graduale is een boek waarin gregoriaanse gezangen van het kerkelijk jaar verzameld zijn. De speurtocht naar dit specifieke exemplaar is ondertussen uitgegroeid tot een spannend detectiveverhaal waaraan talrijke mensen meewerken.

Tineke: ‘Frans Jespers, de theoloog en organist die in de jaren ’80 en ’90 ook al uitgebreid onderzoek deed naar het Noord-Brabantse repertoire, heeft mij veel geholpen. Hij wist van het bestaan af van een 17de-eeuws graduale uit Gemert, waarin de plaatselijke organist handgeschreven aantekeningen heeft gemaakt. Dit is uniek en kan ons een heleboel vertellen over de uitvoeringspraktijk van die tijd. Het lijkt er bijvoorbeeld op dat het gregoriaans, dat in principe eenstemmig is, begeleid werd door harmonieën op het orgel.’

Helaas blijkt het graduale, een gehavend exemplaar dat ongeveer 400 bladzijden bevat, onvindbaar. Het maakte tot omstreeks 2000 deel uit van de Collectie Bruning in het franciscanenklooster van Weert. Tineke Steenbrink en Frans Jespers plaatsten een oproep op verschillende sociale media en hopen dat het alsnog opduikt.

Tineke: ‘Er zijn nog wat vage foto’s, in 1990 gemaakt door de Heemkundige Kring van Gemert. Het lastige is dat de titelpagina van het boek ontbreekt, het paspoort zeg maar. Dat maakt het moeilijker vindbaar; het is een boek zonder identiteit. We hebben verschillende sporen gevolgd. De voorbije maanden kocht ik verschillende oude graduales op bij antiquariaten. Steeds weer hoop ik de goeie te pakken te hebben, maar het graduale van Gemert is nog steeds spoorloos.’

Benedictus à Sancto Josepho
Dat het graduale van Gemert zo belangrijk is voor dit onderzoek heeft alles te maken met het feit dat de organist die er aantekeningen in maakte op slechts een paar kilometer afstand werkzaam was van Benedictus à Sancto Josepho, de componist die al jarenlang een bijzondere plek inneemt in de muzikale wereld van de zussen Steenbrink.

Judith: ‘Benedictus à Sancto Josepho was dé Brabantse organist, orgeladviseur en componist van zijn tijd. Zijn muziek werd over heel Europa verspreid. In de necrologie van het Karmelietenklooster te Boxmeer wordt hij terecht ‘musicæ componista famosissimus’ genoemd, een uiterst beroemd componist dus. Hij was als subprior verbonden aan dit klooster. Vanuit die functie heeft hij ook veel gereisd, naar Utrecht, Scheveningen, Antwerpen…’

Tineke: ‘Mijn eerste kerkbaantje als organist was op zijn orgel in Boxmeer, dan zat ik letterlijk op zijn orgelbank. Dat schept een band natuurlijk, maar het is vooral de schoonheid van zijn muziek die ons zo aantrekt. Zijn werk is echt van een ongekend hoog niveau.’
Judith: ‘Aan zijn werk is te zien dat hij uitstekend op de hoogte was van het Europese muziekleven. Naast componeren heeft hij zich ook ingezet voor het behoud van het gregoriaans in zijn orde. In het Karmelietenklooster in Boxmeer is nog steeds een graduale van zijn hand te vinden.’

Vrouwenstemmen
Behalve de talrijke gregoriaanse gezangen is uit die tijd ook veel meerstemmig repertoire overgeleverd. In tegenstelling tot de protestanten, die lange tijd bleven vasthouden aan het zingen van eenstemmige psalmen, zongen de katholieken graag meerstemmig, zowel thuis als in de kerk, vooral met kerst. Dat roept de vraag op hoe deze muziek in de liturgie werd uitgevoerd. In de mannenkoren konden de hoge stemmen (sopraan en alt) worden uitgevoerd door jongens, koralen genoemd, maar in de vrouwenkloosters mochten geen mannen meezingen.

Tineke: ‘In katholieke kerken en kloosters werden vrouwen-, en mannenstemmen niet gemengd. Dat is in Cuijk, waar ik nu organist ben, nog steeds het geval. Met uitzonderingen als het Sint Martinusfeest en de kerstdienst, dan zingen de mannen en de vrouwen wel eens samen.’

Judith: ‘Voor ons kerstprogramma zijn wij uitgegaan van een bezetting van een vrouwenkoor, zoals dat in de kloosters van de Clarissen te Megen of de zusters van Maria Refugie in Uden zou hebben kunnen klinken. Dat betekent dat de laagte van de mannenstemmen ontbreekt.’

Tineke: ‘Je schuift dan de stemmen als het ware in mekaar. De tenor wordt een sopraan en de bas wordt een alt. Je krijgt dus twee sopranen en twee alten die elkaar in de weg zitten, of elkaar kietelen. Het resultaat is een vol midden een hoog register, waarin de stemmen om elkaar heen kronkelen.'

Judith: ‘Dat was overigens in de kloosters van heel Europa de gangbare praktijk. De vrouwenkloosters Noord-Italië bijvoorbeeld, waren beroemd om hun muzikale niveau.’

De Brabantse stijl
Judith: ‘Het in kaart brengen van je eigen muzikale landschap is ontzettend spannend. Tineke en ik zijn opgegroeid in Oeffelt, vlakbij Boxmeer. In Nederland denken we dat er behalve Sweelinck een muzikaal moeras was in de 17de eeuw. Wij zijn geraakt door de eigenheid en zeggingskracht van dit repertoire. De Noord-Brabantse componisten, Verdonck, Rosier, Hollanders, en natuurlijk Benedictus à Sancto Josepho, hebben een unieke manier om de tekst tot uitdrukking te brengen. Niet over-dramatisch of overdadig, maar wel sterk emotioneel. Het is een herkenbare stijl die erg expressief is. In alle motetten is dat te horen. Deze muziek kenmerkt zich door een pure expressiviteit en tegelijkertijd een lichte speelsheid.’
© Holland Baroque 2015 Privacy statement Design by Smel